Register Marketeers  on tour naar  Maleisië (7 – 15 oktober  2017)

Zaterdag 7 oktober

Links en rechts om mij heen hoor ik gesprekken van mensen die elkaar ofwel net hebben leren kennen, of elkaar al lang kennen maar al lang niet gezien hebben. Druk gebabbel met een sonore achtergrond van vliegtuigmotoren. We zijn op weg met een groep die mooi gemêleerd is, hoewel het aandeel vrouwen wat mager is. Slechts twee dames gaan mee naar Maleisië. Het mag de pret niet drukken, we zijn onderweg naar Kuala Lumpur voor de vijfde marketingstudiereis voor (register) marketeers, strategen en ondernemers. Het weerzien van ‘oude bekenden’ op Schiphol is gezellig. Omdat het nu eenmaal moet van KLM, zijn we zo’n drie uur voor lift-off al aanwezig. Boardingpas zelf printen via een elektronische stewardess, inchecken, ook al zelfstandig door je koffer in een kooi te zetten, je boardingpass te laten scannen en zelf het label vastmaken en dan naar de securitycheck. Hier is het ook elektronisch, maar nog steeds moeten we ‘ouderwets’ alles uitladen wat je thuis zo zorgvuldig hebt ingepakt. Laptop eruit, iPad eruit, opladers ook en zelfs het kleine tubetje tandpasta wordt gecheckt alsof het krypton zou kunnen bevatten. Terecht overigens, want niemand wil een vrije val van tien kilometer hoogte.

Na deze controle gaat ieder zijns weegs. Nog snel even een oplader kopen, een boek of een fles kostbare drank. Uiteindelijk komen we elkaar dan toch weer tegen bij McDonalds of een concurrent met dezelfde uitstraling. Kennelijk trekt zo’n hamburger-omgeving om gezamenlijk de aftrap te doen van wat een mooie reis belooft te worden.

 

Ditmaal ben ik steviger betrokken dan bij mijn eerste marketingstudiereis naar Buenos Aires, vorig jaar. Ditmaal ben ik medeorganisator. Samen met Ronald zijn we in mei al naar Kuala Lumpur geweest om alle hotels en restaurants te zien en alle bezoeken voor te bereiden. We hebben een goede agent daar ter plaatse. Inmiddels weet ik dat dat goud waard is.

Ongetwijfeld zullen er hobbels zijn die we ter plekke gaan oplossen en ongetwijfeld zullen we onverwachte pareltjes meemaken, mooie vergezichten en misschien ook teleurstellingen. Geen reis zonder emotie. Uiteindelijk leer je het meeste van elkaar.

 

Mijn dochter was enorm jaloers, ze had graag meegegaan. Zeker toen ze mijn filmpjes had gezien van het Sepilok Orang Utan Rehabilitation Centre op Sandakan, waar niet alleen orang oetans worden opgevangen maar ook sunbears en mini olifantjes. Op het filmpje zijn ze nog klein en reuze schattig. Maar mini is hier overigens behoorlijk relatief. Deze kleine olifantensoort wordt evengoed bijna twee meter hoog en weegt dan een slordige 500 kilo. Dan ineens geen schattig stoeimaatje meer, laat staan een knuffeldiertje. Maar nu nog wel, zielige knuffelmaatjes dan wel, want het zijn wezen die in hun eentje geen schijn van kans hebben om te overleven. Door de autoriteiten werd Sepilok gevraagd om ook deze dieren op te vangen. Door mensen als Sylvia Alsisto, manager van het centrum, is Sepilok een center met een groot hart. Natuurlijk vangt zij met haar mensen deze ontheemde dieren op. Vrijdag gaan we ernaartoe. Ik kijk er nu al naar uit.

Thuis was echter de grap al snel gemaakt dat ‘ik daar mijn familie ging opzoeken’, doelend op de apen. En hoezeer ik mijn kleine dametje voorhield dat zij mijn dochter is en dus dan ook bij de apenfamilie hoort, die logica wilde er bewust niet in. Waarom ik er nu aan moet denken komt omdat ik zojuist mijn ‘cabine-case’ openmaakte en ineens onder een stapeltje tijdschriften een envelop vond met mijn naam erop. Die was er ‘illegaal’ ingestopt. In het overduidelijke handschrift van mijn lieftallig aapje wenste zij mij en alle deelnemers een geweldige reis en of ik vooral niet wilde vergeten om ‘mijn familie’ de groeten te doen. De illustratie op de voorkant laat zich raden. Reizen is mooi, leuk en leerzaam, straks thuiskomen is ook weer een feestje.

 

De vliegreis is zoals zo’n vliegreis moet zijn; lang, lezen, een filmpje en een houten kont. Slapen is ook al niet comfortabel en het eten is niet slecht maar verdient geen ster. De service van onze nationale vliegtrots is wel prima. Net als Daphne, die haar laatste vlucht maakte voor haar pensionering, aldus de captain in zijn mededeling aan ons. Wie is Daphne? Geen idee, maar we hebben zachtjes voor haar gezongen.

 

Ongemerkt is het zondag geworden. Op het vliegveld van Kuala Lumpur sluit de laatste reisgenoot zich aan. Tara komt vanuit Australië, waar ze tijdelijk woont. We zijn nu compleet en gaan met de bus naar het hotel. Even ontspannen aan het zwembad alvorens we naar het eerste restaurant gaan van deze trip. Ik heb de bedenkelijke eer om de drankenpot te beheren en dus sluit ik de bar met mijn handtekening onder de bon.

 

Bijan is een prettig restaurant waar het eten prima is en de ambiance gezellig. We eten en drinken goed en een andere prettige bijkomstigheid is dat het heel dicht bij ‘de strip’ van Kuala Lumpur is. Lopend gaan we naar de straat met alleen maar kroegen. We kiezen er een uit en bestellen vervolgens een ‘tower’ bier. Niemand weet wat we mogen verwachten maar het laat niets aan de verbeelding over. Het is inderdaad een enorme toren van bier waar je makkelijk 10 tot 12 biertjes uit kunt tappen. Een Heineken thuistap ‘avant la lettre’ zullen we maar zeggen. Terwijl het hier in de straat nog maar net begonnen is, sluiten bij ons langzamerhand de luiken. Met de bus terug naar het hotel. Nog een enkeling waagt zich aan een allerlaatst afzakkertje, maar het is al snel heel rustig. De kop is eraf, de sfeer is weer prima en de verwachtingen hoog. Nu even energie opdoen en morgen weer vroeg op.

Maandag 9 oktober

De MDBC is dè schakel tussen zakelijk Nederland en zakelijk Maleisië. Het staat voor

Malaysian Dutch Business Counsel. Groot gemaakt en al weer jaren geleid door Marco Winter, die je ook ‘Mr. Network Himself’ zou kunnen noemen. Zakendoen voor Nederlandse bedrijven in Maleisië gaat nagenoeg altijd via de kanalen van het MDBC en daarmee via Marco. Deze ochtend verzorgt hij een presentatie voor ons gezelschap in de Mezzo bar van het Renaissance hotel, waar wij verblijven. Omdat het ons gisteravond (zondag) niet meer lukte om een beamer geregeld te krijgen, dook Marco in zijn netwerk. Natuurlijk kent hij de manager facilities van dit hotel, appte hem en zorgde ervoor dat het vanmorgen om 07.00 allemaal piekfijn klaarstond. Het goed onderhouden van relaties kan zo gemakkelijk zijn… Niet alleen regelde hij ‘zijn eigen’ techniek hier in het hotel, het was bovendien een heel interessante bijeenkomst. Interactief en verhelderend voor wat de activiteiten van MDBC betreft en het zakendoen in Maleisië. De kop is eraf voor wat onze studiereis betreft en op een prima manier.

 

Maar de dag is eigenlijk pas net begonnen. Om halftien zitten we alweer in de bus op weg naar ‘papa Saba’, zoals wij hem altijd genoemd hebben. Hij is de oprichter en eigenaar van het merk ‘Uncle Saba’ dat in heel Maleisië een bekend begrip is voor Poppadoms. Voor wat zegt u? Juist, Poppadoms. Onbekend in Nederland maar dat mag eigenlijk niet langer zo blijven. Het is een kruising tussen kroepoek en chips. Minder ‘carbs’, minder ‘fat’ en meer eiwit. Het wordt gemaakt van een soort erwten en daardoor en stuk minder erg dan chips. De collectieve mening was een hele dikke acht. De smaak tomaat was favoriet, alhoewel BBQ ook hoog scoorde. Uncle Saba is een ‘typ’, zoals ze dat vroeger bij ons thuis zeiden. Een stevige man met nog een volle bos ravenzwart haar, waarvan ik vermoed dat de kapper hier een beetje helpt, niet al te groot maar met een charisma van een sprookjeskoning van de goede kabouters. Een geweldige man met charme en humor. Later op de ochtend blijkt dat hij al stevig op leeftijd is, dat weerhoudt hem er echter absoluut niet van om de dames in ons gezelschap lichtjes te laten blozen. Een man die je geweldig vindt als de opa van je beste vriend of vriendin, maar niet als je eigen opa, dat is gênant. En toch gun je iedereen zo’n vader of opa. Dan weet je zeker dat het goed zit. “Gues my age,” wordt beantwoord met een voorzichtig “about sixty”. Dat is een beleefde leugen die iedereen doorheeft maar dat hij in werkelijkheid zevenenzeventig is, hadden we echt niet gedacht. Papa Saba is echter nog volledig van deze wereld en een zakenman pur sang. Hij heeft een betere neus voor zaken dan de beste drugshond voor een open zak wiet.

Met lef, doorzettingsvermogen, humor en zijn zakenneus heeft hij zijn bedrijf van de grond af aan opgebouwd en groot gemaakt. Hij heeft 80% marktaandeel van alle Poppadoms in Maleisië. Bijna tachtig en nog steeds genietend van zijn eigen zakelijk-ondeugende grapjes op zijn producten. Zo heeft hij onderaan de lijst van ingrediënten gezet. ….’also with plenty of love and care’. Aan de andere kant van koker (die wij kennen van de Pringle chips) staat: ‘Goodbye junkfood – lentils are the new snack food!’ en niet veel daaronder staat: ‘ Don’t worry about carbs and snack shamelessly with Uncle Saba’s Poppadoms’. Nog nooit een reclamebureau van binnen gezien, meneertje. Evenmin als dat er ooit een externe tekstschrijver aan te pas is gekomen. Vader en zoon staan garant voor de verpakking, teksten, concept, R&D en alle rest. De kans dat zo’n product bij ons door allerlei spannende testen zou komen, is nagenoeg nihil. En hier scoort het als een dolle. Houwen zo, papa, wat mij betreft mag je honderd-en-zeven worden. We krijgen een lunch aangeboden (met uiteraard ook Poppadoms en iedereen krijgt een grote zak mee van al dat lekkers, inclusief een T-shirt met uiteraard naam en merk. Papa is niet gek natuurlijk, eten uit zijn ruif? Dan ook sporten met zijn T-shirt. En dat zullen we graag doen. Dank aan papa Saba, een man om zakelijk uiterst serieus te nemen en om altijd met een glimlach aan terug te denken.

 

Het liefst zou ik al zijn mooie uitspraken hier citeren maar aan alle moois komt een eind en wij stappen weer in de bus met een glimlach om de lippen, op weg naar een serieuze omgeving. We worden om twee uur verwacht op de HELP University. De naam suggereert een club in nood maar het is alles behalve dat. We worden ontvangen door een grote club geleerde mensen die allemaal minstens twee, zo niet drie titels, voor en achter hun naam hebben. De verwachtingen van ons, maar ook van hen, zijn hoog gespannen. Superbaas van de universiteit Prof. Dr. Paul T.H. Chan, verwelkomt ons persoonlijk en neemt ruim de tijd voor ons. De uitkomst van de boeiende discussie is dat wij worden uitgenodigd om een zgn. M O U met hen te ondertekenen. Zo’n Memorandum Of Understanding is de basis voor verdere samenwerking. Kennelijk heeft deze groep indruk gemaakt. En terecht, want we zitten hier natuurlijk ook met de fine fleur van de Nederlandse marketingstrategen. Nog voordat we teruggaan naar Nederland wil men dit voor elkaar krijgen. Kom daar in ons land maar eens om. Aanstaande woensdag zitten we met een afvaardiging weer aan tafel bij Doktor Paul, waar we niet alleen gaan tekenen, maar ook gezamenlijk gaan dineren. Toch nog ergens even een stropdasje op de kop tikken. De kans echter dat we in zijn werkkamer gaan zitten is klein.

In zijn kamer hebben we namelijk een groepsfoto genomen met het hele gezelschap.

Gelukkig is het een grote kamer. Overal, maar dan ook echt overal lagen stapels met boeken. Op elkaar, tegen elkaar, stapels die elkaar in evenwicht hielden en stapels waar dat uiteindelijk niet was gelukt. Alle wanden, met uiteraard alleen boekenkasten waren vol en daarvoor lagen wederom stapels boeken. Enkel op de grote tafel die ooit is bedoeld om aan te zitten met zijn gasten, was een heel klein plekje vrij voor een laptop. Zijn bureau was met veel moeite te ontwaren onder de boeken. Ik durf gerust te stellen dat op zijn kamer meer boeken lagen dan in de bibliotheek van een gemiddeld dorp in ons land. Een geweldig gezicht en precies de kamer die je verwacht van een geleerde leider. “He has read all the books,” vertelde zijn assistente ons. Maar daar geloof ik niets van. Dan zou hij ongeveer tweemaal zo oud moeten zijn als Papa Saba, en dan moet hij ook nog kunnen snellezen. En dan nog, ik heb daar geen ‘Wipneus en Pim’ zien liggen, het waren boeken met een titel waar veel mensen het woordenboek voor nodig hebben om te begrijpen.

 

Omdat we nu toch mogelijk meer gaan samenwerken, vond onze gastheer Stephen Wu het van belang dat we de universiteit in zijn geheel zouden zien. Dus, eerst met de lift omhoog naar level 10 om vervolgens alle verdiepingen af te lopen. De meesten van ons zijn best bekend met het interieur van een universiteit en alle afdelingen die er voor studenten zijn. Maar voor het geval wij dat vergeten zouden zijn, moet Stephen gedacht hebben, hebben we toch nog maar even alle verdiepingen aangedaan. Goed voor de lijn, zullen we maar denken en af en toe ook grappig. Natuurlijk zijn er in elke taal woorden te vinden die een andere, boeiende betekenis hebben in onze taal. Zo ook hier. Komend van verdieping 4 liepen we naar ‘Level UL’. Je hoeft de spatie maar per ongeluk verkeerd te zetten en de Nederlandse studenten op uitwisseling hebben pret die niemand begrijpt.

 

Ondanks onze uitgebreide Tour d’Universiteit, waren we aan de vroege kant. Hoe mooi is het dan om vlakbij het paleis van de koning te zijn. Snel als toeristen uit de bus, foto’s maken en door naar de residentie van onze ambassadeur. Maar niet nadat we uitgebreid zijn verhaald op de geschiedenis en traditie over het koningshuis hier in Maleisië. Interessant, maar hetgeen de meeste reacties van ons opleverde, was dat de koning, 45 jaar, nog steeds single is. Nee, dan onze Willem, die heeft uitstekend gescoord met zijn Maxima, die inmiddels van ‘ons allemaal’ is geworden. Deze koning heeft dus nog ruimte in zijn paleis. Toch zagen de dames in ons gezelschap af van een nadere introductie.

 

Bij het woonhuis (ambtshalve) van de ambassadeur aangekomen zien we als eerste een grote foto van onze koning hangen. Dat hoort natuurlijk ook in zo’n woning. En wat je ook kunt zegen van ons staatshoofd, we hebben nu de foto’s kunnen vergelijken met de lokale koning hier; wij zitten eigenlijk best met onze Willy.

Hoewel Karin Mosschenlegger, onze ambassadeur er zelf niet kon zijn (zij moest onverwacht naar Jakarta), haar echtgenoot Patrick heeft samen met de economisch medewerker Fiona, de honneurs waargenomen. Net als bij de MDBC, komt ook hier de vriendelijkheid en behulpzaamheid je tegemoet. Bedrijven en organisaties die naar Maleisië willen komen, krijgen van alle kanten prima hulp en ondersteuning. Ik heb me vroeger wel eens af gevraagd wat zo’n ambassade nou eigenlijk doet, behalve landgenoten in nood helpen en her en der wat visums afgeven. Inmiddels heb ik een gezonde bewondering voor deze mensen in het buitenland gekregen. Zowel voor als achter de schermen doen zij erg veel goeds voor Nederlandse bedrijven in het buitenland en voor buitenslandse bedrijven die naar Nederland willen komen. En dan toch nog ons bij je thuis uitnodigen voor een uitgebreid diner met dito gezelligheid en ongedwongenheid, is dan perfecte gastvrijheid. Niet alleen was het goed verzorgd, het was uiterst aangenaam met interessante mensen. We hebben het Wilhelmus dan wel niet gezongen, maar we voelden ons welkom en thuis. Nederland hoezee!

 

Zelfs aan deze dag komt een eind. Het was een druk en boeiend programma. Als we om half negen aankomen in het hotel is er echter nog voldoende energie om KLCC te verkennen Kuala Lumpur City Centre, here we come.

 

 

Dinsdag 10 oktober

 

Kippen

Hoe laat je het ’s avonds ook maakt, de wekker gaat ’s morgens gewoon weer vroeg af. Vandaag moeten we een behoorlijk stuk met de bus naar ‘Big Dutchman’, een multinational die in ruim 100 landen over de vijf continenten actief is. Om zeven uur in de bus, dus. Ik had er nog nooit van gehoord, toch is het een bedrijf dat meer dan 1 miljard omzet maakt en zo’n 4.000 werknemers heeft. Het maakt systemen, of eigenlijk hele boerderijen voor kippen. Van legbatterijen tot vrij uitloop. In het oosten zijn de legbatterijen nog niet zo uit de gratie als bij ons in het westen en worden bovendien veel eieren gegeten. Maar liefst 400 eieren per jaar, per inwoner van Maleisië. En ja, ik ben het direct met u eens dat legbatterijen op z’n minst toch wel heel erg uit de mode zijn. Deze club probeert zoveel mogelijk de krappe behuizing zo kipwaardig mogelijk te maken. Veel liever bouwen ze voor hun klanten fraaie uitloop boerderijen die meer op een Sporthuis Centrum resort lijken dan op een eierenfabriek. Want daar gaat het hoofdzakelijk om. De gemiddelde Maleisiër eet ruim één ei per dag. Met zo’n kleine 40 miljoen inwoners betekent dat een stevig productie die nodig is om al die proteïnen te produceren. Elke dag legt een kip een eitje, tenminste als het een legkip is. En dat doen ze ongeveer anderhalf jaar lang. Dan eindigt het vruchtbare leven in de soep of supermarkt. Toch nog altijd een beter lot dan de zogenaamde broilers. Dat zijn kippen die niet zo best leggen en dus na 6 weken al als kipsaté reïncarneren.

Wat je in één ochtend allemaal kunt leren over kippen, kippen behuizing, kippenlevens en alles wat een groot bedrijf daarvoor doet en organiseert. Big Dutchman doet dat al ruim 25 jaar en is gegroeid naar een bedrijf dat een ontwerpdivisie heeft, een bouwbedrijf en een energiedivisie want alles gaat supergroen, dat dan weer wel. Daarnaast een afvalverwerkings-divisie. Die ruimt weliswaar geen mest op, maar is dag in dag uit bezig om te proberen dit mestgas probleem op te lossen. Eigenlijk is er nog niet echt een oplossing voor en ondertussen poepen al die kippen aardig veel fout gas de lucht in. Dan valt het bij ons mensen nog wel mee. Zelfs als we af en toe een bruin boontje ontluchten.

Kippendisco

We zijn gast van Jan Jaap en hij neemt alle tijd voor ons om heel eerlijk en uitgebreid te vertellen over deze business. Hij is een van de beide ‘onderdirecteuren’ van de Aziatische divisie van dit grote bedrijf. Hoewel de naam doet vermoeden dat de Nederlandse vlag continue aan de gevel wappert, is het al lang geleden overgenomen door een Duits bedrijf. De naam was echter zo sterk dat die gebleven is. Maar de grote baas van deze divisie is nog steeds een Nederlander, net als Jan Jaap. Bovendien is het halve management West Europees. Arbeid is hier goedkoop en ruim voorradig, goed management is veel moeilijke om uit de lokale gelederen te krijgen. Veel goed geschoolde Maleisiërs gaan naar Singapore om daar hun geluk te beproeven. Meer werk en beter salaris. Lekkere concurrentie dus en voor de HR manager om grijze haren van te krijgen. Toch groeit deze onderneming ondertussen flink door en gaat de ontwikkeling van systemen ook gewoon door. Sommige lichtsystemen zijn zo geavanceerd dat de kippen uit vrije wil, geheel geconditioneerd worden om elke dag op nagenoeg dezelfde tijd een eitje te leggen. Die lichtsystemen lijken veel op onze feestverlichting in december en het moet dan ook dagelijks een soort van kippendisco in die hokken zijn. Wie zegt dat kippen geen feestnummers zijn.

Big Dutchman is Big Business

Gisteren bij de residentie van de ambassadeur heb ik Jack Ang ontmoet, de Aziatische baas van het Nederlandse ‘Markant’. Niet de supermarktketen, als die nog bestaat, maar een groot internationaal bedrijf in kantoormeubilair. Jack is een kleine, joviale man die een netwerk heeft, zo groot als heel Azië, lijkt het wel. Druk pratend, lachend en etend, vertelt hij tussen neus en lippen door dat het nieuwe pand van Big Dutchman zo’n 10 miljoen Ringgits heeft gekost. Dat is ongeveer 2 miljoen euro. Het is dan ook een prachtig pand, maar voor Jack was het hoogtepunt dat het vol stond met zijn meubilair. Van Jan Jaap horen we, ook tussen neus en lippen door, dat het pand al binnen het jaar was terugverdiend door de verkoop van de grond van het oude pand. Dan mag de rente nog zo laag staan, dat red ik niet met mijn hypotheek. Big business die Big Dutchman met die small eggs.

Lunch

Het is haast jammer om weg te gaan. Wie had dat verwacht van een ‘kippenboer’? Omdat we qua tijd een beetje zijn uitgelopen, meten we improviseren met de lunch. Vlak bij Big Dutchman is een straat van ongeveer 100 meter waar allerlei bedrijven staan. Zelfs een lokale ‘cantina’, hoewel het hier anders heet. Zainal, onze gids gaat vragen of we hier snel een lokale hap kunnen krijgen. Dat kan en met de snelheid van het licht wordt er een prima maaltijd op tafel getoverd. De vloeren zijn spekglad, de tafels van plastic, evenals de stoelen en dat alles onder felle TL-balken. Kortom, de ideale plaats voor een snelle lunch die je niet snel vergeet. Ondanks dat ze hoogstwaarschijnlijk HACCP hier hebben uitgebannen, smaakt alles goed en lopen we alle verloren tijd weer in.

I Am KL

Next stop is ‘Invest KL’, het promotiebureau van de regio Kuala Lumpur. Een soort van “Kuala Lumpur heeft het” maar dan vertaald naar Azië. Tim Saw, een rap pratende Maleisiër, loodst ons door ‘Greater Kuala Lumpur’ met een PowerPoint presentatie waar je duizelig van wordt. Bomvol informatie, cijfers en superlatieven over deze mooie regio. Hoe langer Tim aan het praten is en hij in de gaten krijgt dat wij niet alleen aandachtig luisteren maar bovendien zijn humor waarderen, hoe meer hij zich ontpopt als een zakelijke cabaretier die niet alleen zijn stad verkoopt maar bovendien zijn publiek moet entertainen. Op vragen die hij liever niet wil beantwoorden, antwoordt hij dan ook met een omtrekkende beweging en voegt daar aan toe “This is also an answer.” Dat klopt Tim, alleen op een heel andere vraag. Geeft niets, want zijn enthousiasme is aanstekelijk en alleen al voor hem zou je hier komen wonen. Na een wervelende show van ruim driekwartier is het voor ons duidelijk: zakendoen doe je in Greater Kuala Lumpur. Elke stad ter wereld wil zich graag promoten en dat men daarbij door prachtige superlatieven de waarheid af en toe geweld aandoet, is wat je een beetje mag verwachten. Bij Tim vergeet je dat het zo is, of je vergeeft het hem. In alle gevallen is de keuze KL. Toch zijn we het niet helemaal eens met zijn strategie. Invest KL richt zich op de multinationals van 1 miljard omzet of meer. Groten stappen, snel thuis, dat begrijp ik wel, maar voor dat soort bedrijven is het losweken van een bepaalde stad of regio veel moeilijker dan voor kleinere bedrijven. En vele kleintjes maken ook een grote stad. Tim hoort het aan, glimlacht, antwoordt dat het zeker niet onmogelijk is maar denkt vast: “rare jongens die Hollanders.” Nog een groepsfoto, een hand en een goody-bag en we zijn alweer op weg naar de volgende halte. Maar we houden weer een beetje meer van KL.

Batu Caves

Als je hier bent moet je naar de ‘Batu Caves’. Een grote grot in een leistenen berg, waarvoor je eerst een trap van bijna 300 treden moet oplopen. Omdat het hier natuurlijk behoorlijk warm en vochtig is hebben we ons voorbereid met een extra shirt en sommigen zelfs met sportschoenen of slippers en een korte broek. Laat die trap maar komen. Uiteindelijk valt het best mee. Weliswaar is mijn overhemd doorweekt, maar ik leef nog en blijf rustig ademhalen. Omdat men echter boven in de grot aan het bouwen is, wordt er aan de bezoekers gevraagd of die een emmertje met stenen of zand mee naar boven wil nemen. Heel handig want dat scheelt de organisatie weer mankracht. En velen doen dat dan ook, al dan niet onder invloed van testosteron. Zelfs ik, met een conditie van een kreupele schildpad, heb twee emmertjes mee naar boven genomen. Af en toe geholpen door mijn mede reisgenoten, maar toch. De grot is mooi en imposant, maar de meeste aandacht gaat toch naar de apen die je onderweg tegenkomt. Als je niet bent gewaarschuwd en je hebt eten in je hand, is dat geweldig leuk voor de omstanders. Alsof ze uitgehongerd zijn, grissen ze dat uit je handen en dat krijg je echt niet meer terug. Als je dat al probeert, leer je snel dat het die apen ernst is en dat ze ook heel erg niet-schattig kunnen zijn. Wat Chucky voor elkaar heeft gekregen bij de clowns, hebben deze apen voor mij bij hun soort gedaan. Niks schattig, haast bloeddorstige rovers. Een beetje overdreven wellicht, maar die indringende en dreigende blik liet mij toch maar snel doorlopen.

Eenmaal weer beneden stond er een kokosnoot klaar om op te drinken. Nog nooit eerder gehad en na even wennen, ben ik om. Kokosnoot is oké.

ChinaTown

Even opdrogen en dan weer de bus in. Omdat iedereen toch een keer naar Petalingstreet wil gaan (Chinatown vol met standjes met namaak horloges, tassen, elektronica, pennen en koffers en nog veel meer), doen we dat collectief met de bus. Alle dure merken zijn er te krijgen. Niet echt, niet duur. Maar wel een ervaring om mee te maken. Als je ook maar even je oogbollen een tiende van een seconde laat rusten op een horloge, pen, tas of shirt van een spannend merk, word je direct aangesproken door de standbeheerder die al begint met te zeggen dat hij en speciale prijs voor je heeft. Volstrekt ongeloofwaardig en zowel hij als jij weten dat het nep is, dat hij gaat beginnen met een te hoge prijs en dat jij doet alsof je niet geïnteresseerd bent, eerst even wegloopt, dan weer omkijkt, dat hij dan onder in de stand naar een speciale doos grijpt, voor speciale klanten, jij dus, ook al kent hij je niet en dat dan het echte bieden gaat beginnen. Een prachtig spel. Het is allemaal nep, ontzettend nep maar soms behoorlijk vakkundig nep, niet van echt te onderscheiden nep en dat alles voor een prijs waarvoor je in ons land nog niet eens ergens een hoofdgerecht voor koopt. Natuurlijk is de kwaliteit niet geweldig en doen sommige knopjes van een horloge het niet, is de ritssluiting van een tas defect en is de vulling van de pen leeg. Maar zo op het eerste oog is het prima en kun je er thuis lekker mee patsen. Als je dat wilt tenminste. Maar hoe dan ook, je moet er wel even geweest zijn.

Tamarind Spring

De dag is bijna op. Bijna, want we gaan vanavond eten bij Tamarind Spring, een prachtig restaurant in een rustig deel van KL. Na aardig wat gedoe met het drukke verkeer, de bus die niet door een bepaalde wijk mocht en keren op een zeer drukke weg omdat we het helemaal zat waren, komen we in een luxe wijk van KL. Hier wil iedereen wel wonen. De prijzen zijn voor hier nogal gespierd, maar de huizen zijn dan ook prachtig. De goudkust van KL. Voordat je het restaurant kunt zien, ga je via een soort van lange, aan weerszijde verlichte, oprijlaan het bos in. Ondertussen horen we kikkers en krekels. Vlak bij de drukke city zitten we ineens in de bush. Ik hoor ergens het continue geritsel van een beekje, de krekels en kikkers en af en toe een lach van een verre gast en voel me bevoorrecht. Het heeft vanmiddag stevig geregend. Alles is weliswaar weer droog en warm, maar toch voel je die aangename deken van vochtige koelte tussen het groen. Als we aan tafel zitten neem ik snel de wijnkaart en kies een witte Chardonnay uit Argentinië. Een beetje nostalgie naar vorig jaar.

Het is een heerlijke wijn, net als het eten. Op dit soort momenten besef ik hoe mooi het leven kan zijn als je er maar van wilt genieten.

Grab

Een avond zonder even een biertje bij Healy Mac, de Irish pub, is geen avond. Weliswaar een beetje zonde na die lekkere wijn, maar allé. Met een Grab ernaar toe en heerlijk buiten aan een tafeltje de wereldpolitiek bespreken. Grab? Dat is de concurrent van Uber en werkt uitstekend hier. Omdat ik toch een pre-paid kaartje heb gekocht om overal internet te hebben, kan ik ook ‘Grabben’. De reguliere taxi’s zijn zeker twee tot drie keer zo duur. Bovendien zijn de auto’s van de Grab en Uber rijders veel beter en schoner dan de oude taxi’s. Taxichauffeurs proberen altijd eerst even om niet via de meter te rijden. Dan kunnen ze niet alleen een hogere prijs afspreken, het wordt dan ook niet geregistreerd. Bij Grab is het heel simpel. Je opent de app, die weet waar je bent en je geeft aan waar je naar toe wilt. Je ziet enkele rijders met hun naam voorbijkomen en dan meldt een van hen zich dat hij of zij jou wel wil rijden. Direct staat ook het tarief in beeld. Geen gesjoemel, dus. Er staat ook bij binnen hoeveel tijd hij of zij er is en na de rit krijg je binnen enkele minuten keurig een factuur via de mail. Prima systeem. We hebben bijna nooit langer dan 5 minuten hoeven wachten. We maken het niet al te laat en na deze drukke dag ben ik blij dat ik, moe maar voldaan, mijn bed in kan duiken. Welterusten en tot morgen.

 

 

Woensdag 11 oktober

 

Goddess

In Maleisie is Shahnas Oli Mohamed een halve godin. Een dame die na haar studie pharmacy

(die ze overigens met honour heeft afgesloten) een bedrijf heeft opgezet voor huidverzorgingsproducten. Tot zover nog niet echt spannend. Ook dat ze op zeer jonge leeftijd twee business angels heeft weten te overtuigen van haar concept en drive, verdient nog geen goddelijke status. Toen zij het zich kon veroorloven heeft ze aanvullende studies gedaan aan Harvard, Cambridge en nog een paar prestigieuze scholen. Zo heeft ze ook haar MBA gehaald. Allemaal zeer bewonderenswaardig maar nog steeds geen Goddess. De huidverzorging is echter geheel gebaseerd op de Islam en de Shariah. En dat is wat haar immens populair heeft gemaakt. Als de Koran zegt dat ingrediënten goed zijn, komen ze in aanmerking voor gebruik in haar producten. De Shariah zorgt voor de manier van werken en verwerken. Dat al haar producten Halal zijn is dan logisch en geeft vertrouwen aan de mensen die daarvan houden. Een pittige tante met lef en een visie.

Denken wij in het westen bij Shariah aan een haast schimmige samenleving met wrede, oeroude wetten, regelgeving en gewoonten, bij Shahnas is er niets schimmig, loopt niet iedereen met een hoofddoekje en werken er ook mannen in haar bedrijf. De Islam en Shariah zorgen ook voor speciale regelgeving en uitgangspunten als het om het betalingsverkeer gaat. Daar houden zij zich aan, zoals zoveel bedrijven. Wij, in het westen merken daar weinig van als we zaken met ze doen.

 

Marsmannetje

Haar bedrijf ‘Natural Wellness’ heeft vele verschillende huidverzorgingsproducten en richt zich succesvol op de private label markt. Het bedrijf bestaat pas sinds 2006 en in 2010 kwam de grote doorbraak. Met inmiddels een omzet van ruim 12 miljoen euro in zo’n korte tijd, doe je echt wel iets goed, lijkt me. Ook al laat ze iedereen (dus ook haar personeel) volledig in zijn/haar waarde m.b.t. religie en geloof, met de hygiëneregels (HACCP) valt niet te spotten. Dat we onze schoenen uit moeten doen en op croqs verder moeten, is logisch en daar zijn we inmiddels aan gewend. Maar als we een kijkje nemen in de productie wordt iedereen aangekleed als maan- of marsmannetjes (afhankelijk of je een groen of geel pak aankrijgt). Zo’n pak sluit je helemaal in en zou ook heel goed kunnen functioneren als boerka. Alleen je gezicht is vrij. Ik begin een opgesloten gevoel te krijgen en moet er niet aan denken dat ik altijd als een kikvorsman door het leven zou moeten. Ik krijg steeds meer medelijden met dames die vinden dat ze dat moeten doen. Met allerlei drogredenen proberen ze hun zelfgekozen gevangenis goed te praten. Als er al een God is, zou die ons toch wel met een leuk stropdasje of een guitig jurkje geboren laten worden als dat de bedoeling zou zijn, denk ik dan.

 

Ondernemers

Het contact vooraf met Natural Wellness is prima geweest en we hebben twee stellingen die ze graag door ons willen laten bediscussiëren. Natuurlijk gaan die over halal en shariah. Maar dan in de algemene vorm, zoals: ‘The possible growth of halal in the global scene.’ Maar als rasechte Nederlanders met het VOC-gedachtegoed in onze genen, denken we na over de business; hoe kunnen we dit product zo snel mogelijk succesvol maken in bijvoorbeeld Nederland? Diverse opties komen aan de orde, zowel branded als via private label, maar welke weg je ook kiest, het belangrijkste vinden we de ‘story-telling’ over Shahnas. Natuurlijk moeten de producten voldoen aan hun claim en moeten ze een behoefte vervullen, kortom zinvol en nuttig zijn, maar de kracht van de propositie is de dame zelf. Vergelijk het met Anita Roddick van The Body Shop of zelfs met Steve Jobs van Apple.

En ineens bedacht ik me dat achter elke sterke onderneming altijd een sterk persoon staat, in elk geval in het begin. Niet altijd iemand die in het voetlicht wil staan, maar altijd iemand die kracht in de onderneming blaast. Uiteraard is dat niets nieuws, maar het is af en toe goed om je te realiseren dat de wereld niet zou draaien als er geen ondernemers (M/V) zouden zijn die risico durven nemen en visie hebben. Die soms zelfs hun privéleven opofferen voor hun droom en die de jeugd van hun kinderen onvoldoende meekrijgen omdat ze die drive hebben om iets neer te zetten. Want ja, er zitten ook negatieve kanten aan die droom, aan dat succes en die roem. Maar als je dan weer zo’n sterke vrouw ziet als ‘Misses Natural Wellness’, dan zie je dat het de moeite waard is om je idealen helder te hebben en ze na te jagen. En ik weet best dat er tegenover elke succesvolle ondernemer, er honderd zijn geflopt of op zijn best een middelmatig resultaat hebben. Maar niet iedereen kan Messie zijn. En als je weet dat je geen goede voetbalbenen hebt, koop dan ook geen voetbalschoenen.

 

Een reep salade

We besluiten dat we onze gedachten over haar producten nog een keer goed op papier zetten en dat we die aan haar mailen. Ook besluiten we dat we elkaar als bedrijf en groep leuk vinden. We zijn welkom als Natural Wellness is verhuisd naar haar nieuwe behuizing in 2018. Van een ‘achterafbedrijf’ op een industrieterreintje, gaan ze naar een zes-verdiepingen hoge nieuwbouw, op maat gemaakt op een prestigieuze plaats in KL. Als we kadootjes en certificaten uitwisselen, geeft ze ons nog snel even mee waarom chocolade zo gezond is. Chocolade is gemaakt van bonen, die groeien aan struiken, waar ook bladeren aan groeien, en dus is chocolade eigenlijk salade. Doe mij nog maar een reep salade, dan.

 

The Stadium Negara

De middag is vrij en iedereen gaat zijns/haars weegs. Een groepje gaat nog even zakendoen in Chinatown. Blingbling for guys. En voor de rest van de reis krijgt elke doodgewone vraag of opmerking, die met tijd te maken heeft, de vrolijke aandacht van ons allen. Niet iedereen gaat shoppen. We zijn al vanaf zaterdag op pad en alle avonden hebben we uitbundig meegemaakt. Voor sommigen gaat nu het kaarsje even uit. Voor mij wel in elk geval en ik doe lekker relaxed, de hele middag. Natuurlijk moeten er nog wel weer enkele zaken geregeld worden, maar daar hebben we dan ook de tijd voor. Met Ronald ga ik eten bij ‘The Stadium Negara’, vlak bij de ‘kroegenstraat’ van KL. Natuurlijk gaan we heen en weer met Grab. En natuurlijk bestellen we in elk geval Hockinne, een lokale specialiteit die eruitziet als dunne, witte paling in soyasaus. Ik eet het vanwege de traditie maar houd meer van de terin yaki achtige beeflapjes en krokante kip. Lekker nasi, lokaal bier en het feest is compleet. The Stadium is een soort fabriekskantine in de buitenlucht met plastic stoeltjes en tafels. We eten van rode plastic bordjes en bestek. Cola in blikjes en de doos tissues op tafel vanwege de vieze handen. Servetten? Welnee, waarom moeilijk doen als het met een doos tissues op tafel ook kan. No nonsens, lekker eten. Geen ster voor kwaliteit, wel een ster voor authenticiteit.

 

Zzzzzzzzz

Dan toch nog maar even naar Healy Mac. Als ik bier drink, val ik direct in slaap, ben ik bang.

Dus koffie, sterke zwarte koffie. Voor het eerst in mijn leven drink ik koffie in een Irish pub. Tja, men zegt dat je alles een keer moet hebben geprobeerd, maar deze had ik graag overgeslagen. Toch ben ik blij dat ik zo verstandig ben en zelfs op tijd terug naar het hotel ga. Morgen wordt weer een drukke dag en vliegen we bovendien naar Kota Kinabalu, Sabah. Ik kijk ernaar uit, maar red dat alleen als ik nu ga slape…………zzzzzzz.

 

 

Donderdag 12 oktober

 

Op zoek naar palmolie

Palmolie is tegenwoordig een controversieel onderwerp, dus interessant voor ons. Maleisië is een van de grootse leveranciers van dit product. Het bedrijf Sime Darby heeft grote delen van het oostelijke eiland omgetoverd tot palmplantages. Daar is niet de hele wereld blij mee, maar diezelfde wereld eet wel graag een beetje boter op het brood en gebruikt veel producten waar deze olie inzit. Daarmee is het nog niet goedgepraat en juist die discussie zouden we graag voeren. Inmiddels hebben we de ervaring dat het open voeren van een controversiële discussie hier niet zo gewoon is als bij ons. We gaan het meemaken. Eerst maar eens zorgen dat we er komen. Niet alleen is het zo’n anderhalf uur rijden naar de plantage, als we eenmaal door de eerste slagboom zijn, betekent dat nog niet dat we er zijn. “Rijdt u nog maar 10 km door, daar is het ergens.” Heel fijn, zo’n heldere routeaanduiding. De man die ons zou begeleiden deze dag is ziek. Of zijn moeder is ziek, dat is niet helemaal duidelijk. Hij is er niet in elk geval. Hoeft geen probleem te zijn, zou je denken. Zo’n groot bedrijf heeft nog wel ergens iemand beschikbaar om een groep buitenlandse gasten een ochtend te begeleiden. Die is kennelijk zo gauw niet te vinden, net zomin als dat wij de locatie kunnen vinden waar we moeten zijn. Uiteindelijk zijn we waar we zijn moeten, geholpen door een juffrouw op een brommertje. Die had alleen niet in de gaten dat wij een chauffeur hebben, die zijn rijbewijs gratis bij een pakje boter heeft gekregen en nooit goed heeft begrepen waar het gaspedaal zit, doodsbang is voor verkeersdrempels en bovendien niet geleerd heeft dat borden ook weleens wegwijzers zouden kunnen zijn. Als zij mijlenver vooruitrijdt, is het maar goed dat we meekijken.

 

‘Pablo’

Zo komen we bij een soort bospad waar een aantal flipborden klaar staan met daarop de ‘PowerPoint presentatie’ uitgeprint. Even later komt er een ‘chef’ aan. Bromt links en rechts wat en komt ons dan breed lachend begroeten. Het is de plantage manager zelf en lijkt op ‘Pablo the big boss’. Hij gaat ons vertellen hoe palmolie wordt gewonnen. Dat doet hij met verve en humor en wij hangen aan zijn lippen. Op een tafeltje liggen de palmvruchten in diverse stadia. Van onbevrucht tot overrijp. We proeven zelfs een vrucht maar dat is geen succes. Alsof je een stuk zoethout wilt opeten met alle vezels erbij. De smaak is weliswaar anders, maar de vezels hebben nog lang tussen onze tanden gezeten en de oranje kleur is ook niet zomaar van je handen verdwenen. Het ‘plukken’ van de vruchten gaat per bos tegelijk. Eerst worden de omliggende bladeren vakkundig van de boom gescheiden en daarna de tros met vruchten. Om dat goed te kunnen is er een drie maanden opleiding nodig. Veel van de ‘plukkers’ komen uit Bangladesh` . Waarom is niet bekend maar die doen het kennelijk goed. Alle bladeren blijven liggen en verworden vanzelf tot compost.

 

Uil

Naast het tafeltje staat een soort van hele grote postbox. Zo een die je in Amerikaanse films ziet met zo’n hendeltje om aan te geven dat de post is geweest, maar dan groter en zonder hendeltje. In de houten kooi zit een uil. “He is my friend,” zegt de plantage manager. De uil is de groene variant op rattengif. Per dag eten ze wel 6 à 7 ratten. Door allerlei van dit soort natuurlijke slimmigheden te gebruiken, is het gebruik van chemische troep met 50% teruggebracht. Prima, wat mij betreft, nu die andere 50% nog.

 

Sustainability

‘Pablo’ verlaat ons weer en we gaan verder naar ‘the mill’ en het eigen museum. Na een presentatie over het proces en een eigen rondgang door het kleine museum, is het lunchtijd. Maar niet nadat we proberen een discussie uit te lokken over de duurzaamheid van palmolie en de plantages. Voor hen valt dat onder de categorie ‘lastige vragen van lastige gasten’.

Zoals verwacht, wordt er ruimschoots omheen gedraaid, maar wordt wel vermeld dat Sime Darby alle juiste certificaten heeft en zelf actief is bij het onderzoek om de sustainability te verbeteren. We laten het erbij want een echte discussie hierover komt niet op gang. Met ‘Pablo’ hebben we het er al een beetje over gehad. Die had zijn antwoord keuring op de ‘PowerPoint’. Het blijft een probleem, maar alles wat zij kunnen doen om de duurzaamheid te verhogen zullen ze ook doen. En dat is ook wel zichtbaar. In het productieproces wordt alles hergebruikt waar mogelijk. Al het afvalproduct wordt gebruikt als bijvoorbeeld brandstof voor de verhitting. Maar het vervangen van gekapte bomen is veel moeilijker. Dat zal altijd wel een probleem blijven. Maar de oorzaak ligt natuurlijk veel dieper, die ligt bij ons. Wij willen producten waar palmolie in is verwerkt en zijn niet of nauwelijks bereid om daar een hogere prijs voor te betalen zodat duurdere alternatieven kunnen worden gebruikt. Het eeuwenoude liedje, marktwerking en winst op korte termijn versus duurzaamheid en overleven op lange termijn. De mensheid is kennelijk nog steeds niet bereid om naar de gevolgen op langere termijn te kijken in plaats van naar de korte termijn winstgevendheid. What’s new, my friend, what’s new.

 

Tot ziens

De lunch is prima en we zijn redelijk op tijd. Dat moet ook wel want we hebben een vliegtuig te halen. Vandaag vliegen we naar Kota Kinabalu, voor de rest van het programma. Als we wegrijden is er niemand die ons uitzwaait. Niemand om de hand te drukken en om dankjewel tegen te zeggen. Dat is toch wel raar. Dus zwaaien we maar naar de guard die bij de eerste slagboom staat en ons 10 km het bos in had gestuurd. Niet echt verdiend, maar ja, je hebt zo je gewoontes.

 

Air Delay

We vliegen met Air Asia, die wat mij betreft voortaan bekend is onder de naam Air Delay. Maar goed dat we onderweg een maaltijd besteld hebben, want anders hadden we nog laat ergens moeten gaan eten. Dat zou overigens best gekund hebben, blijkt later als we het hotel aankomen. Niet zomaar een hotel maar het Shangri-La Tangerun Aru Resort, also known as ‘STAR’. Dit is een van de mooiste hotelresorts ter wereld op een van de mooiste plekken op aarde. Het uitzicht richting de Suluzee en schuin links naar de Zuid Chinese zee met de tussenliggende eilanden, de ondergaande zon, die je verliefd maken op elke willekeurige voorbijganger en de zalige luxe van een prachtig hotel in een land waar de gastvrijheid in de genen zit. Hoe fijn is het als je het nuttige met het uiterst aangename kunt verenigen?

 

STAR

Natuurlijk, we hebben een vol programma, maar dit geeft weer een heleboel energie. Als we aankomen speelt er een life-band met drie zangeressen, die niet onderdoen voor Celine Dion en zelfs af en toe Adèle. Gouden keeltjes in een fraaie verpakking. Dat laatste zal best meespelen in de waardering die de dames krijgen, maar de gouden keeltjes winnen het met glans. We blijven dus nogal hangen in het bargedeelte van de zeer ruime foyer.

Bij aankomst wacht Mei Wun al op ons. We kennen haar van onze voorbereidingsreis waar ze ons als assistant manager begeleidde. Het is toch leuk om begroet te worden met “Hi Robbert, how are you and do you remember me?” Het klinkt als een fout stuiverromannetje maar dat is het gelukkig niet, ook al weet je dat ze vlak voor onze aankomst ongetwijfeld nog snel even heeft gekeken naar onze namen op onze visitekaartjes. Het is net dat beetje extra die het ‘m doet. “Hi Mei, yes of course I do remember you. Good to see you again.” En dat is waar. Ze is een vriendelijke en behulpzame dame die ongetwijfeld een prima job doet voor het hotel. Naast haar staat Josephine van het Sabah Tourism Office om ons te verwelkomen met een goody-bag. Het is fijn om je zo welkom te voelen. Hello Sabah, we’re happy to be back. Het resort nodigt uit om er lang gebruik van te maken, maar voor vanavond is dat niet verstandig. Morgen moeten we echt vroeg op, we gaan naar het Sepilok Orang Utan Rehabilitation Centre (SORS) in Sandakan. Een plaats zo’n driehonderd kilometer verderop. Niet te doen met de bus, dus vliegen we op en neer met…..juist ja, Air Delay. Een beetje op tijd naar bed dus, anders mis je de apen. We gaan het zien. Sommigen van ons zijn van nature heel verstandig maar een enkele keer laat die wijsheid het afweten. Gek dat dat meestal vergelijkbare momenten zijn. Bar, gezelligheid, op reis, goede en nieuwe vrienden, prachtige omgeving, kortom een reis als deze. Ik laat me maar beperkt verleiden en ga enigszins op tijd naar bed, bel naar mijn dames thuis want daar is het nog maar rond zes uur ’s avonds en kijk daarna nog even naar het onweer. Wat kan de wereld toch mooi zijn, zelfs met onweer.

 

Vrijdag 13 oktober

 

Vroeg op

Toch weer net iets te laat naar bed gegaan gisteren. Opstaan is dan een verplichting terwijl het juist een wens zou moeten zijn in dit soort oorden. Het is dan ook wel heel vroeg. We vliegen om 06.35, dus moeten we rond 05.45 op het vliegveld zijn, dat gelukkig wel heel dichtbij is. Dus om 05.15 verzamelen. Dus de wekker op 04.30 en uiterlijk om 04.45 op. Ontbijten kan nog niet maar het hotel heeft op ons verzoek een breakfast-box voor elk van ons gemaakt. In de bus, op weg naar het vliegveld, knagen we een croissantje weg met een pakje mangosap. De sandwiches en het appeltje maar even bewaren voor later. Zo vroeg hoef ik nog niet een hele maaltijd. Bovendien staat er dadelijk op Sepilok nog een soort van ontbijtbuffet voor ons klaar. Wat er ook gebeurt, omkomen van de honger gaat ons niet lukken. De vlucht duurt maar 35 minuten en is dus een soort van opstijgen en bijna meteen weer dalen. Ondertussen passeren we de beroemde berg Mont Kinabalu in clear view, zoals dat heet. Het vliegveld van Sandakan is een klein veldje zodat we snel door de officialiteiten heen zijn. Bovendien hebben we geen bagage, wat het reizen heel gemakkelijk maakt. De guide-for-one-day stat ons al op te wachten. Mr. Abdul. Ik had geen idee hoe hij er uit zou zien en dus maak je zelf een voorstelling. Waarom weet ik niet, maar ik zag een kleine, gedrongen, Arabisch-achtige man op leeftijd voor me in een licht, morsig pak, een grote snor, een ouderwetse bril met meekleurende glazen en een slecht verstaanbaar accent. Mr. Abdul stelde zich echter voor als Sa.ad en bleek een relatief jonge ‘well-trained’ lange man die eerder Afrikaanse trekken heeft, dan Arabische, geen snor en een soort van ‘man-inblack’-achtige zonnebril in sportieve kleding. Hij spreekt uitstekend verstaanbaar engels.

 

Dr. Nabila

Op Sepilok staat inderdaad een ontbijt buffet klaar. Het ziet er prima uit en ondanks dat we al een broodje op hebben gaan we gewoon door. Het eten is lekker in dit land. Helaas is Sylvia Alsisto, de manager van het Center er niet. Zij moest op het laatste moment voor haar Center op pad. En natuurlijk gaan zaken voor dit soort bezoeken en heeft zij voor goede vervanging gezorgd, het is toch jammer. Ook wel voor haar denk ik. Met haar hadden we misschien nog beter kunnen bespreken hoe wij dit Center kunnen helpen. Maar ook Dr. Nabila kan ons prima vertellen wat hier nog is. Zij is een jonge, intelligente dierendokter, die wij al eerder ontmoet hadden. Een fragiele, behoorlijk slanke dame die wel weet waar ze nu enorm behoefte aan hebben.

 

Green Viper

Maar voordat we uitgebreider met haar en anderen in gesprek gaan, krijgen wij een rondleiding. De reguliere bezoekers mogen het park nog niet in en daardoor is het rustiger.

Onder leiding van Sa.ad en Elis, een doorgewinterde Ranger, gaan we op pad door de jungle.

We lopen over een soort van houten brug die maximaal een meter boven de grond loopt.

Hierdoor heb je goed zicht op alles en loop je niet alles te vertrappen. Hier is over nagedacht. De jungle is zompig warm en van alle kanten hoor je allerlei dierengeluiden. Insecten, vogels, onbekende kreten en misschien zelfs wel af en toe een aap. Heel anders dan een boswandelingetje bij ons op zondagmorgen, hoewel dat ook heel mooi kan zijn. Maar dit is ‘the wild itself.’ Dat blijkt iets later als we worden geattendeerd op een slang die op ongeveer twee meter afstand van ons, uiterst verdekt ligt te wachten op…? Geen idee waarop. Hopelijk niet op ons want het is een van de giftigste slangen ter wereld, the green viper. Word je gebeten, dan is eigenlijk het enige wat je nog kunt doen, een schietgebedje en je laatste woorden uitspreken, wordt ons vertelt. Achteraf relativeert internet deze boodschap. Ze bijten echter alleen als ze in gevaar zijn. Geen van ons heeft die intentie om deze jongen ook maar iets in de weg te leggen. Wel willen we hem allemaal graag zien en dat is nog niet zo makkelijk. Om een tak gekruld, in dezelfde kleur als de bladeren eromheen, is dit dier haast niet te zien. Gelukkig is Elis, de Ranger, echt goed in zijn vak en heeft hij hem al gezien voordat er iets zou kunnen gebeuren. Hoewel het een afstand van twee meter is en wij ‘veilig’ op de brug staan, heb ik geen enkele held gevoelens en blijf met gepaste eerbied uit zijn domein, zodat hij datzelfde doet. Elkaar respecteren is hier het toverwoord. Dat geldt overigens, volgens mij altijd en zou veel problemen kunnen voorkomen of oplossen. De slang en ik hebben een duidelijke understanding. Hij daar en ik hier, en hij denkt er precies hetzelfde over.

 

Later als we weer vertrekken worden we weer op slangen geattendeerd. Ditmaal liggen ze lekker te zonnen in een boom, twee tot drie meter recht boven ons. Hoewel ze er precies hetzelfde uitzien in onze ogen, zijn dit geen giftige jongens. Ik ben blij dat we professionals om ons heen hebben. En ik blijf toch maar een beetje op afstand. Bijten kunnen ze in elk geval wel. En hoewel ik er dan blijkbaar niet aan dood zal gaan, respecteer ik toch ook hier maar liever hun domein.

 

Paluther

De discussie die we hebben met dokter Nabila en Ranger Elis, brengt onze creativiteit wel op gang. Toch is Dr. Nabila niet de joyeuze, zelfbewuste leider van het center, zoals Sylvia dat veel meer is. Daardoor missen we een beetje de grote verhalen en de actieve interactie met de groep. Toch weet onze dokter duidelijk te maken wat er nodig is: geld en medicijnen. En op de korte termijn zelfs liever een bepaald soort medicijn. Een goed jaar geleden heeft een Engelse dame op eigen initiatief een grote hoeveelheid van het anti malaria medicijn Paluther (kijk op: http://bit.ly/paluther) aan het Center geschonken omdat het zo nodig is. In Maleisië is dit echter een controversieel medicijn en daardoor niet te koop. Het lijkt niet verboden maar waarom het hier niet te koop is, wordt niet helemaal duidelijk. Het kan een kostenkwestie zijn of een kwestie i.v.m. een patent, het wordt onvoldoende duidelijk. Wel heel duidelijk is dat de voorraad zienderogen slinkt en dat tegen het eind van dit jaar de voorraad op is. Daarmee komen met name de olifantjes in gevaar. En veiligheid is nu juist waarvoor ze naar hier zijn gebracht. Dus aan alle medicijnmannen en –vrouwen die dit lezen: kijk nog es even in het medicijnkastje van je eigen organisatie en vraag je af of je niet een paar doosjes kunt schenken (het is niet duur). En aan alle niet medicijnmannen en –vrouwen:

kijk es in je portemonnee of je daar misschien nog iets vindt waarmee je deze club kunt helpen. Wij gaan in elk geval vanuit de aanwezige Register Marketeers kijken hoe we het beste kunnen helpen. Misschien wel door een slimme stagiaire te financieren om daar een goed sponsorplan te maken en eventueel zelfs uit te voeren. Sluit je aan!

 

Zieke olifant

Bij aankomst hadden we al gehoord dat lilliput elephants niet bezocht konden worden omdat er een ziek was geworden en dus de hele club van vijf in quarantaine moest blijven. Zowel voor onze veiligheid maar misschien nog meer voor die van de vijf kleine makkers. Jammer en hopelijk niet al te erg. Jammer ook voor ons, want het is een heel leuk gezicht om die kleine dreumesen te zien stoeien en spelen. Als vervanging van dit bezoekje, gaan we naar de sunbears. Ook heel interessant. Dit centrum, dat in tegenstelling tot het Orang Utan centre, particulier is opgezet, draait commerciëler dan de buren. Hier kun je een beer (financieel) adopteren, hetgeen bij de apen (nog) niet kan. Als het aan ons ligt gaat dat dan ook gauw veranderen. Juist apen lijken ons uitstekend geschikt als adoptie-wezen.

 

Sunbears

Gloria vervangt dr. Wong, het hoofd van het ‘beren-center’ en vertelt enthousiast over ‘haar’ sunbears. Ze heeft een zwart T-shirt aan met een gele, grote, enigszins onregelmatige V op haar borst. Eerlijk gezegd niet het design waarvan ik, als ik de ontwerper zou zijn, hoge verwachting van zou hebben. Totdat ik de sunbears in realtime life zie vanaf een grote houten vlonder. Het zijn gezellige, kleine, zwarte beren met een….juist ja, gele, grote, enigszins onregelmatige V op hun borst. Point taken, Gloria. Als een soort van Winnie the Poeh zitten ze gezellig op hun achterste, zoals wij op een stoel zitten. Het enige dat ik mis, is de grote pot honing.

Net als alle andere dieren die hier worden opgevangen, zijn het wezen, die om welke reden dan ook geen moeder meer hebben die voor hen zorgt. En ik weet best wel dat het barst van de goede doelen, en de één nog treuriger, aandoenlijker en nodiger dan de ander, maar deze beide centra met alle treurige en aandoenlijke apen, olifanten en beren, verdienen het minstens zo veel als alle andere goede doelen. Google maar even: Sepilok Orang Utan Rehabilitation Centre in Sandakan, Malaysia.

 

We lunchen in het Sepilok Nature Resort, een prachtig, enigszins verscholen resort, midden in de jungle. We eten aan een lange tafel en de gerechten zijn simpel maar heerlijk. Eigenlijk heeft iedereen wel genoeg maar als Ronald toch nog maar wat bestelt, worden nog net de borden niet afgelikt. Afvallen gaat niet lukken in deze week. Dan haasje repje naar het vliegtuig en retour naar Kota Kinabalu.

 

Slotdiner

We komen om ongeveer vier uur aan in het resort en om zes uur wordt iedereen verwacht ‘on the beach’. Daar hebben we ons befaamde slotdiner. Onder een permanente houten ‘partytent’ is een lange tafel opgedekt en zitten we met onze voeten nog net niet in het water. Om 18.27 gaat de zon onder en het is weliswaar niet de mooiste die ik daar ooit heb gezien, maar op de schaal van ‘most-beautiful sunsets’ krijgt ie toch een dikke acht. Helaas waait het stevig en krijgen we allemaal een beetje een peeling van de onderbenen (want allemaal korte broek) en van ons gezicht door het strandzand. Het valt overigens best mee met de BBQ achter de bosjes en we hebben een mooie en heerlijk avond als bijna afsluiting van deze reis. Omdat het de vijfde reis is voor twee van de deelnemers krijgen die een lustrum-certificaat en schouderklopjes van ons allemaal. Traditiegetrouw richt Gerrit Jan het woord tot de groep en de organisatie. Hij lardeert zijn dankwoord met enkele kadootjes. En met enkele zinvolle suggesties om het nog mooier te maken. Gaan we doen. Dank voor vijf jaren trouw, humor, gezelligheid en enthousiasme, heren, op naar het volgende lustrum! Te beginnen in……India, de bestemming voor volgend jaar. We drinken de hele drankenpot naar z’n grootje en dan wordt het langzamerhand tijd om op te breken. Enkelen gaan nog even etnologisch onderzoek doen in de uitgaanswereld van Kota Kinabalu, maar ik haak af. Morgen weer een stevig dag.

 

Zaterdag 14 oktober

 

Laatste dag

De wekker gaat en ik realiseer me dat de volgende keer als de wekker af gaat, die zes uur vroeger staat. Maar deze laatste dag heeft nog twee totaal verschillende bezoeken voor ons in petto. Eerst gaan we naar de Kota Kinabalu Chinese Chamber of Commerce and Industry, a.k.a. KKCCCI. Daar verwachten we een formeel bezoek. Daarna gaan we naar de Cap Kuda Coffee Company, een van de leden van de KKCCCI.

Voor sommigen is deze dag er net een teveel. Of misschien was de nacht hen net iets teveel.

Etnologisch onderzoek is niet niks, tenslotte.

Zoals verwacht worden we buiten al opgewacht door vier heren met stropdas. Met uiteraard secretaresse en secretaris. Zonder jasje weliswaar maar zeer formeel. Wij hebben jasjes aan, maar geen dasjes. Zij dasjes, wij jasjes, dus. Mooie verdeling. Het zou mij niet verbazen als zij ons hebben zien aankomen en zagen dat wij geen dasjes droegen, dat zij toen snel besloten om hun jasjes uit te doen. Beleefdheid gaat uit van gelijkheid.

 

Doktoren en een professor

We gaan het gebouw binnen waar Ronald en ik al eerder waren. Toen hebben we mr. Tan ontmoet, maar ditmaal is het bijna voltallige bestuur compleet. Mr. Yee That Hian, kortweg mr. Yee is de voorzitter en stelt ons voor aan de anderen. Waren we vorige keer in de burelen van de staf, ditmaal gaan we naar de bovenste verdieping. Daar is een zaal zo groot als morgen de hele dag, inclusief bijbehorende lange tafel in het rond. De tafelschikking is redelijk random voor ons, terwijl zij een eigen plaats lijken te hebben. Aan onze kant worden dr. Ronald en dr. Robbert wel aan het hoofd verwacht. Omdat we enkele maanden geleden hier ook al waren, zijn we automatisch het hoofd van de delegatie. Mij best. Onze ‘nieuwe’ titels zijn hardnekkig en langzamerhand beginnen we er aan te wennen. We beginnen er plezier in te krijgen en verzinnen er ter plekke een professor bij. We kunnen het nu toch niet meer veranderen en hoe ze eraan zijn gekomen is ook niet helemaal duidelijk. We laten het maar zo. Dan begint het voorstellen. Elk van de bestuursleden beschrijft zichzelf behoorlijk uitvoerig en de voorzitter vertelt uitgebreid over de geschiedenis, samenstelling en werkwijze van de KKCCCI. Het wordt ons duidelijk dat dit niet ‘zomaar’ een KvK is, zoals wij die kennen. Dit is een organisatie die ter bescherming van de Chinese cultuur en taal een aantal eigen activiteiten heeft ontwikkeld die een middenmoter in het SME niet zou misstaan. Ze zijn al in 1911 opgericht onder de naam Jesselton CCC. Inmiddels hebben ze eigen vastgoed voor de 3 basisscholen, 2 middelbare scholen en 3 ‘Kindergarten’, hebben ze eigen handelsmissies en voltrekken en registreren zij de huwelijken in hun gemeenschap. Waren er vroeger nagenoeg geen niet-Chinese kinderen op de scholen, inmiddels is het aandeel niet Chinese kinderen ruim 20%. Het doet me denken aan de Fransen die ook zo zorgvuldig met hun taal en cultuur omgaan. Er spreekt een zeker mate van trots over hun verleden en voorouders uit. En dat is eigenlijk helemaal nog niet zo gek. Hoewel wij natuurlijk een volk van rovers en slavenhandelaren zijn, zouden we onze goede eigenschappen best meer mogen waarderen en cultiveren. Misschien had Balkenende dan destijds toch niet helemaal ongelijk door te refereren aan de VOC mentaliteit. De handelsgeest en nieuwsgierigheid mogen we best cultiveren. Dan laten we Calvijn, de slavenhandelaren en de koloniale inpik-drift, even voor wat het is: een vlekje in de geschiedenis. Geen koe zo bont, etc. Dat zal ook best voor de Chinezen gelden in hun geschiedenis. Zij hebben vast ook hun ’zwarte piet’.

 

Pers

De voorstelronde aan hun kant neemt aardig wat tijd en wij proberen dat een beetje te compenseren. Dan komen er ineens een stuk of acht mensen de zaal in. Dat blijkt de pers te zijn. We worden gefotografeerd en later ook geïnterviewd. Volgens mij zeggen we allemaal heel verstandige dingen en dat is maar goed ook. Zondag, als we weer thuis zijn, krijgen we van diverse kanten, allerlei scans van krantenartikelen waar wij uitgebreid in staan met foto en quotes. The New Sabah Times, The Borneo Post en de Daily Express, zijn de bladen die we kunnen lezen. Er zijn ook Chinese kranten in het Chinees, die we moeten geloven voor wat de inhoud betreft.

 

Rare jongens

Het grappige is dat Chinezen hun achternaam als eerste vermelden, dan hun generatie naam achteraan hun voornaam. Zo heet de voorzitter, meneer Yee That Hian, dus Hian als zijn vrouw hem thuis roept dat het eten klaar staat, in de krant heet hij mr. Yee. Zo worden dus ook onze visitekaartjes gelezen. Vandaar dat wij als mr. Robbert en mr. Ronald vermeld staan in de krant, als zijnde onze achternamen. Dat wij geen generatienaam hebben, nemen ze op de koop toe. Rare jongens, die Hollanders, zullen ze vast denken.

We krijgen allemaal een dikke ledenlijst van de KKCCCI, we maken foto’s voor de pers, schudden handen, wisselen wederzijdse tekens van erkentelijkheid uit (die symbolisch vast van grote waarde zijn, maar esthetisch nooit, maar dan ook nooit enige prijs zullen winnen) en gaan op weg naar ons laatste bezoek van deze reis.

 

Op de koffie bij Boon

We worden welkom geheten door een kleine energieke man met een brede lach. Yap Cheen Boon, aangenaam. Tweede generatie koffiebrander van de Cap Kuda Coffee Company. Opgericht in 1969 door zijn vader en terecht trots op wat er is bereikt. Boon, want dat is dus zijn voornaam, heeft humor en is gezond cynisch. Natuurlijk krijgen we koffie en die is lekker én gezond! Uit zijn presentatie zal later blijken dat er veel onderzoek is gedaan naar een specifieke koffieboon die bloeddrukverlagend werkt of zo iets. In elk geval is een paar bakkies leut dus eerder een medicijn, dan een stoot cafeïne die alle lichaamsfuncties op scherp zet. Nice to know, Boon. Wat ook nieuw is voor mij, is dat er in koffie aardig wat tarwe zit en gekarameliseerde suiker, peper en nog veel meer. Niet alle toevoegingen in alle koffie, maar koffie van alleen koffiebonen is kennelijk een unicum. Wel zien we nog twee dozen en balen Luwak koffie staan. Die kost zo’n 1000 dollar per kilo. De koffiebonen gaan een lange weg en zelfs door civetkatten heen, voordat ze een gebrande koffieboon zijn en dat maakt het duur. Wat mij betreft proef ik het niet maar de gedachte is grappig.

 

Overleven met de pollepel

We krijgen een rondleiding in zijn productie-unit op deze locatie (hij heeft er meer). Daar zien we nog veel handwerk en soms zelfs ondanks mechanisering. De koffiezakjes worden met de hand en een pollepel afgevuld op een elektronische weegschaal. Naast de weegschaal staat een apparaat dat Boon aardig wat moet hebben gekost. Het staat stof te happen, in elk geval geen koffie. De medewerkers willen er niet mee werken en doen het liever op de ouderwetse, maar oh, zo, vertrouwde manier. Ik kan me niet aan de gedachte onttrekken dat common sense lijfsbehoud hier ook een rol speelt. Als de machine mijn werk doet, wat ga ik dan doen, moet men denken en ik geef ze gelijk. Overleven is ons eerste drijfveer, dus ook hier.

 

Cabaretier

In zijn presentatie zitten diverse filmpjes over hoe koffie oorspronkelijk werd gebrand. ‘Wok fried coffee’ heet dat. Dan heb je geen slavendrijver voor nodig om je zo te voelen. Stevig roeren in aanbrandende bonen in de hitte en je handpalmen zijn voor eeuwig oranje. Onze koninklijke familie zou er jaloers van worden. Dat is nu gelukkig allemaal geautomatiseerd en komen de gebrande koffiebonen uit het plafond vallen. Wel precies in een klaarstaande container, dat dan weer wel. Boon laat ons de economische cijfers zien van Sabah. Het grootste gedeelte van de bevolking is werkzaam in de toeristenbranche, palmolie en olie en gas. Kennelijk loopt alles terug behalve het toerisme en Boon vraagt zich dan ook openlijk af what the f*** wij eigenlijk hier komen doen. Wel met een big smile. Wij lachen mee. De sfeer is heel anders dan ons eerste bezoek. Ontspannen en Boon vermaakt zich meer met ons dan een reguliere dag ‘at the office’. Als hij geen 2
e generatie was geweest en geen ‘Finance’ had gestudeerd, was hij vast cabaretier geworden. Maar toch legt hij ons helder uit hoe de koffie hier in elkaar zit en dat het niet altijd zuivere koffie is. Een veel gedronken ‘koffie’ is de ‘KopiO’, gemaakt van gekarameliseerde koffiebonen. Er gaat een serieuze vracht suiker bij tijdens het brandproces, verschillend per regio. In Sabah gaat er een halve kilo suiker bij een kilo bonen! Daar hoeft echt geen suiker meer in het kopje bij (wat dan vervolgens toch gebeurt). In Singapore is het nog erger; per kilo koffiebonen gaat er 1,2 kilo suiker bij! Niet gek dat dat geen koffie meer mag heten. Coffe Mix is de naam voor deze zoetigheid. Kennen wij de termen white label, white noise en white people, in Sabah is er ook nog white coffee. Dat is een beetje koffie met een stevig scheut creamer van palmolie. Gelukkig hebben ze ook thee in Sabah.

In nog geen twee uur hebben we een koffiebranderij gezien, rauwe koffiebonen geproefd (smaakt naar mint, heel grappig), koffie gedronken, chocolademelk gedronken, een presentatie gehad, filmpjes gezien en veel geleerd. Geen wonder dat hij ook nog een ‘Coffee School’ heeft waar veel locals hun koffiekennis en kunde komen leren. Wat een prima afsluiting van deze geweldige maar ook intensieve reis.

 

Air Delay

Nog even snel langs het hotel om naast de bagage ook nog een paar spijbelaars op te halen en dan gaan we richting de luchthaven. Met de hele club weer compleet, komen we ruim op tijd aan. Inchecken, door de security, die voor de gelegenheid gescheiden is voor mannen en vrouwen, ook heel boeiend, een enkeling die nog snel even z’n boardingpas laat liggen bij die aardige juffrouw achter de balie, die dan weer ophaalt, snel doorloopt om er dan vervolgens achter te komen dat Air Delay zijn naam volledig waarmaakt. Gelukkig hebben we ruimte genoeg aan de ‘andere kant’. Voor de zekerheid hebben we de tijd in Kuala Lumpur ruim genomen ‘voor als we vertraging hebben’.

 

10.000 km slapen

Het is gedaan, we beginnen aan de terugreis. Moe maar voldaan. Met een uurtje vertraging stappen we in en de meesten van ons slapen zich naar Kuala Lumpur. Daar hebben we nog voldoende tijd voor saté, frietjes en Coke Zero, de laatste ringgits opmaken nu al weer een paar herinneringen ophalen van een prima reis. Tara blijft achter op KLIA 2 om terug te gaan naar ‘haar’ Australië en haar nieuwe baan (succes, meid) en de rest gaat met het treintje naar KLIA 1. Ik ga proberen om zeker 10.000 km te slapen.

 

Een beetje verliefd

Dag mooi Maleisië, dag prachtig Sabah en dag schitterend hotel, dag apen, olifanten en sunbears, dag vriendelijke en hulpvaardige bevolking, dag Kopi-O en koffie Luwak, dag Poppadoms en Natural Wellness, dag namaak horloges, pennen, tassen en nog veel meer ‘original copies’. Dag Marco van de MDBC, die ons zo geweldig heeft geholpen, Dag onvervangbare Lillie, dag onvindbare Sime Darby en dag kippenboerderij-fabriek. Dag Grab, KKCCCI en HELP Universiteit en dag ambassadeur Karin en manlief Patrick. En dag aan alles en iedereen die deze reis zo mooi maakte. Tot ziens, ik kom zeker terug. Een beetje verliefd.